De Provincie Zeeland stelde beroep in cassatie in tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin de schadeloosstelling voor onteigende grond werd vastgesteld. Het onteigende perceel lag binnen het provinciaal inpassingsplan Waterdunen, dat voorziet in natuur- en recreatieontwikkeling en kustversterking.
De rechtbank had bij de waardebepaling van de grond de bestemmingen van het inpassingsplan geëlimineerd omdat het plan slechts de juridisch-planologische grondslag bood voor de werken waarvoor werd onteigend, conform artikel 40c onder 3 Ow. Tevens werd het voorafgaande Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal buiten beschouwing gelaten.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank over het elimineren van het inpassingsplan niet onbegrijpelijk was, maar dat het buiten beschouwing laten van het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal onjuist was omdat dit plan een algemene ruimtelijke beleidsvisie betreft die wel meegewogen moet worden bij de waardebepaling. Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor verdere behandeling.