Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
29 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de procedure en behandelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Op basis hiervan en na het horen van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Snijders, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 29 januari 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.