Conclusie
(hierna: [verzoeker])
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Overijssel verklaarde op 1 december 2014 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op verzoeker. Op verzoek van de bewindvoerder werd deze regeling tussentijds beëindigd bij vonnis van 27 juli 2015. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde deze tussentijdse beëindiging bij arrest van 8 oktober 2015, waarbij het hoger beroep van verzoeker werd afgewezen.
Verzoeker stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat hij vermogensbestanddelen had onttrokken aan de boedel en dat zijn handelen in strijd was met de schuldsaneringsverplichtingen. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten berusten op een onvolledige lezing van het arrest en dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd.
Daarnaast wees de Hoge Raad erop dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de cassatietermijn van acht dagen, aangezien het arrest van het hof dateert van 8 oktober 2015 en het verzoekschrift pas op 15 oktober 2015 is ingediend. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.