Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 november 2015, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2008 en 2009 had behandeld.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingebrachte middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie behoefde dit geen nadere motivering, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees tevens een veroordeling in proceskosten af wegens het ontbreken van daartoe gronden. De uitspraak werd door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel gewezen en op 12 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken.