Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2008 en 2009. Na bezwaar, beroep en hoger beroep wees het hof in 2015 de zaak af. Verzoeker stelde beroep in cassatie, dat door de Hoge Raad in 2016 ongegrond werd verklaard.
Vervolgens vroeg verzoeker in 2018 en opnieuw in 2019 herziening van het hofvonnis aan, gebaseerd op nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder een getuigenverklaring en vermeende misleiding door de inspecteur. Het hof oordeelde dat herziening slechts mogelijk is als er feiten zijn die voor de uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
Het hof concludeerde dat het verzoek niet voldeed aan deze voorwaarden, deels omdat de feiten al bekend hadden kunnen zijn en het verzoek deels dezelfde klachten bevatte als eerder. Ook was het standpunt over het vertrouwensbeginsel niet tijdig ingebracht. Het verzoek werd daarom afgewezen. Het hof zag geen aanleiding om griffierecht te vergoeden of proceskosten toe te wijzen.