ECLI:NL:HR:2016:1910

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 augustus 2016
Publicatiedatum
11 augustus 2016
Zaaknummer
16/01249
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:42 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:63 Algemene wet bestuursrechtArt. 16 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting

De erfgenamen van de overledene hebben in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 februari 2016. Dit arrest bevestigde eerdere uitspraken van de Rechtbank Gelderland betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1990 tot en met 2000, alsmede navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 1999 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van de belanghebbenden beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om de proceskosten aan de belanghebbenden toe te rekenen. Het beroep in cassatie is derhalve ongegrond verklaard en het arrest is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de erfgenamen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

1 augustus 2016
nr. 16/01249
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de erfgenamen van [A] ,gewoond hebbende te
[Z](hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 2 februari 2016, nrs. 14/01045 tot en met 14/01063, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 14/133 tot en met AWB 14/151) betreffende de aan erflater opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1990 tot en met 1998, navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 1999, de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.