ECLI:NL:HR:2016:2013

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2016
Publicatiedatum
1 september 2016
Zaaknummer
14/06023
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 RvArt. 420 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaarden voor toewijzing vordering tot terugbetaling in cassatie na vernietiging en terugwijzing

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 8 juli 2016 een arrest gewezen waarbij de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie werden vernietigd en de zaak werd teruggewezen voor verdere behandeling. Na deze uitspraak verzocht de verzoeker de Hoge Raad om aanvulling van het arrest met een beslissing op zijn vordering tot terugbetaling van hetgeen hij door het hof was veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente.

De Hoge Raad constateerde dat deze vordering niet was behandeld in het eerdere arrest, waardoor sprake was van een omissie. De Hoge Raad besloot deze omissie te herstellen door alsnog op de vordering te beslissen. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat in cassatie slechts een veroordeling tot terugbetaling kan worden toegewezen indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en zelf afdoet door de vordering af te wijzen.

Omdat de Hoge Raad in deze zaak de vonnissen slechts had vernietigd en de zaak had terugverwezen, stond de uitkomst van het geding nog niet vast. Hierdoor ontbrak een grondslag voor toewijzing van de terugbetalingsvordering. De Hoge Raad wees de vordering daarom af en vulde het eerdere arrest aan met deze beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering tot terugbetaling af en vult het arrest aan met deze beslissing.

Uitspraak

2 september 2016
Eerste Kamer
14/06023
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker] , wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. M.M. Stolp,
t e g e n
de stichting FUNDASHON KORPORASHON PA DESARAYO DI KORSOU, gevestigd te Curaçao,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker] en Korpodeko.

1.Het arrest in dit geding

1.1
De Hoge Raad heeft in deze zaak op 8 juli 2016 een arrest uitgesproken (ECLI:NL:HR:2016:1434). In het door [verzoeker] ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 18 maart 2014 en 2 september 2014 vernietigd, en de zaak teruggewezen naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.
1.2
Bij brief van 18 juli 2016 heeft de advocaat van [verzoeker] de Hoge Raad op de voet van art. 32 Rv Pro verzocht het arrest van 8 juli 2016 aan te vullen. Volgens de brief heeft de Hoge Raad verzuimd te beslissen op de door [verzoeker] in zijn verzoekschrift tot cassatie ingestelde vordering om Korpodeko te veroordelen “tot terugbetaling van hetgeen waartoe [verzoeker] door het hof in hoger beroep is veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van zijn betaling”. De advocaat van [verzoeker] heeft de Hoge Raad verzocht deze terugbetalingsvordering alsnog te behandelen en toe te wijzen.
1.3
De advocaat van Korpodeko heeft bij brief van 21 juli 2016 het standpunt ingenomen dat de hiervoor in 1.2 vermelde vordering van [verzoeker] terecht niet is toegewezen, althans dat deze vordering niet kan worden toegewezen, hetgeen meebrengt dat [verzoeker] geen belang heeft bij zijn verzoek op de voet van art. 32 Rv Pro.
1.4
De Procureur-Generaal is in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen, maar heeft daarvan afgezien.
1.5
De Hoge Raad stelt vast dat sprake is van een omissie, nu de hiervoor in 1.2 vermelde vordering van [verzoeker] in het arrest van 8 juli 2016 niet is behandeld. De Hoge Raad zal deze omissie herstellen door deze vordering alsnog te behandelen.
1.6
In cassatie is alleen plaats voor een veroordeling tot terugbetaling van hetgeen waartoe een partij in de bestreden uitspraak is veroordeeld, indien de Hoge Raad die uitspraak vernietigt en zelf, op de voet van art. 420 Rv Pro, het geding afdoet door de in die uitspraak toegewezen vordering alsnog af te wijzen. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu de Hoge Raad zich ertoe heeft beperkt de bestreden vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof te vernietigen, en de zaak naar dat hof heeft teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing. Nu de uitkomst van het geding nog niet vaststaat, ontbreekt een grondslag voor toewijzing van de terugbetalingsvordering van [verzoeker] . Deze vordering moet derhalve worden afgewezen.

2.Beslissing

De Hoge Raad vult het arrest van 8 juli 2016 aldus aan dat de hiervoor in 1.2 vermelde vordering wordt afgewezen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
2 september 2016.