Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
6 september 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften en het valselijk opmaken van een geschrift. Het Hof legde onder meer een bijkomende straf op van ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van belastingadviseur voor vijf jaar vanwege recidivekans en ernst van de feiten.
De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijke bepalingen die de ontzetting van het beroep mogelijk maken, namelijk art. 235, eerste lid, Sr en art. 69, zesde lid, AWR, pas per 1 april 2010 in werking zijn getreden. Omdat de bewezenverklaarde feiten dateren van vóór die datum, geldt het legaliteitsbeginsel dat deze bijkomende straf niet kan worden opgelegd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het gedeelte van het arrest waarin deze bijkomende straf is opgelegd en wijst het beroep voor het overige af. Tevens wordt vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar zonder rechtsgevolg gezien de aard van de straf en de termijnoverschrijding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bijkomende straf van ontzetting van het beroep belastingadviseur wegens toepassing van het legaliteitsbeginsel.