Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
9 september 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoeker die cassatie instelde tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake de tussentijdse beëindiging van een WSNP-procedure op grond van artikel 350 lid 3 Faillissementswet Pro. De rechtbank Noord-Holland had eerder vonnissen gewezen in deze insolventiezaken.
De Procureur-Generaal stelde voor het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de verzoeker onvoldoende belang had bij de behandeling van het beroep en de klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad volgde dit standpunt en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. De tekortkoming in de informatieverplichting werd als gering beoordeeld, waardoor het beroep niet ontvankelijk werd verklaard.
Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk en Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 9 september 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en geringe tekortkoming.