Conclusie
Onderdeel 1richt zich tegen rov. 2.1. Geklaagd wordt dat het hof de zes aangevoerde grieven niet afzonderlijk heeft besproken maar heeft samengevat onder de woorden “voor zover van belang”. Hiermee wordt volgens de klacht onvoldoende inzicht gegeven in de beoordeling van de aangevoerde grieven, hetgeen de motivering onbegrijpelijk maakt en waarmee het hof in strijd handelt met art. 6 EVRM Pro.
Onderdeel 2klaagt erover dat het hof in rov. 2.4 ten onrechte heeft geoordeeld dat uit het verslag van de bewindvoerder en het verhandelde ter zitting blijkt dat [verzoeker] blijvend tekort is geschoten in de uit de schuldsaneringsregeling voorvloeiende verplichtingen. Dat blijkt niet uit het verslag van de bewindvoerder. Uit diens referte moet worden afgeleid dat de bewindvoerder van mening was dat de tekortkomingen niet zo ernstig waren dat deze tot beëindiging zonder toekenning van een schone lei moesten leiden. Nu [verzoeker] in staat is om de ontstane schulden en het boedeltekort voor het einde van de schuldsaneringsregeling in te lopen, is geen sprake van een blijvende tekortkoming. Bij de beëindigingszitting zal een situatie zijn ontstaan die gelijk is aan de situatie die zou hebben bestaan indien van de tekortkomingen geen sprake was geweest, zodat er geen aanleiding en ook geen belang is om [verzoeker] de schone lei te onthouden.
Onderdeel 3is gericht tegen de overweging van het hof met betrekking tot het beschermingsbewind. Geklaagd wordt dat het hof heeft nagelaten om te bezien of dit beschermingsbewind tot een andere afweging van belangen had moeten leiden.
Onderdeel 4klaagt over het oordeel van hof dat geen sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis of van bijzondere aard. Betoogd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is en in tegenspraak met het feit dat [verzoeker] uiteindelijk wel aan zijn verplichtingen heeft voldaan en dat [verzoeker] onder beschermingsbewind staat.