Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:2052

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2016
Publicatiedatum
9 september 2016
Zaaknummer
16/01556
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 354 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang

In deze zaak hebben verzoekers beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betreft insolventierechtelijke kwesties, waaronder de beëindiging van de WSNP zonder schone lei en de afdracht aan de boedel.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak en behandelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) en het advies van de Procureur-Generaal oordeelt de Hoge Raad dat de klachten van verzoekers geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.

De redenen hiervoor zijn dat verzoekers klaarblijkelijk onvoldoende belang hebben bij het cassatieberoep en dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en wijst het cassatieberoep af.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Polak, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 9 september 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.

Uitspraak

9 september 2016
Eerste Kamer
16/01556
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekers zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekers].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaken C/19/12/43 R en C/19/12/44 R van de rechtbank Noord-Nederland van 30 december 2015;
b. het arrest in de zaak 200.183.169/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 maart 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-7).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
9 september 2016.