Conclusie
Zitting: 26 mei 2016
Onderdeel 1formuleert tegen rov. 3.7 de klacht dat het hof met zijn uitleg van art. 295 lid 3 Fw Pro heeft miskend dat de rechter-commissaris een grote vrijheid toekomt bij de aanwending van zijn discretionaire bevoegdheid om het vrij te laten bedrag te verhogen en dat op deze vrijheid niet mag worden ingebroken.
Het onderdeel kan reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, aangezien het zich louter richt tegen één van de dragende overwegingen voor ’s hofs afwijzing van de door [verzoekers] gewenste termijnverlenging, terwijl dat oordeel ook leunt op de hiervoor al genoemde overwegingen dat er gebreken kleven aan het plan van aanpak (rov. 3.6), het om hoge schulden gaat voor het ontstaan waarvan geen toereikende verklaring is gegeven (rov. 3.8) en de mogelijkheid van een gift te onbepaald is (rov. 3.10).
Het betoog in het onderdeel dat de door het hof in rov. 3.7 gegeven uitleg aan art. 295 lid 3 Fw Pro – dat de rechter-commissaris de bevoegdheid geeft om het vrij te laten bedrag voor de saniet op een hoger bedrag te stellen dan de beslagvrije voet – niet klopt, is onjuist. De betreffende uitleg is letterlijk te vinden in de memorie van toelichting bij art. 295 lid 3 Fw Pro:
onderdeel 2is ’s hofs oordeel in rov. 3.10 dat de mogelijkheid van een gift van de schoonvader van [verzoeker 1] te onbepaald is om daar rekening mee te kunnen houden onbegrijpelijk, omdat de schulden van [verzoekers] bekend zijn. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest: het hof heeft niet geoordeeld dat de
schuldenonbepaald zijn, maar dat de
mogelijkheid van een giftte onbepaald is.
Onderdeel 3klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.11 onjuist en/of onbegrijpelijk is, maar verwijst ter toelichting daarvan enkel naar hetgeen [verzoekers] in hun beroepschrift hebben aangevoerd, onder meer in de laatste alinea. Met betrekking tot de geconstateerde tekortkomingen is daarin te lezen dat [verzoekers] erkennen dat er sprake is van een boedelachterstand en een nieuwe schuld en dat zij verwachten de achterstanden tijdens een verlenging te kunnen inlopen. Op deze stellingen heeft het hof gerespondeerd. Het onderdeel geeft niet aan om welke redenen ’s hofs oordeel desalniettemin gebrekkig zou zijn gemotiveerd, waarmee het afstuit op de uit hoofde van art. 407 lid 2 Rv Pro aan cassatieklachten te stellen eisen. [5]