Belanghebbende erfde vijf onroerende zaken, waarvan vier verhuurd, na het overlijden van zijn moeder in 2010. Voor de erfbelasting werd de waarde van de verhuurde woningen aangegeven op basis van een taxatie die de marktwaarde in verhuurde staat op 12 juli 2011 weerspiegelde. De Belastingdienst stelde echter de waarde vast op basis van de leegwaarderatio zoals voorgeschreven in artikel 10a van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956, wat resulteerde in een lagere waarde dan de taxatie.
Het Gerechtshof Amsterdam stelde vast dat de waarde van enkele verhuurde onroerende zaken volgens een taxatierapport meer dan tien procent afweek van de waarde berekend met de leegwaarderatio. Het hof oordeelde dat de leegwaarderatio onverbindend is indien deze in betekenende mate afwijkt van de werkelijke waarde in het economische verkeer en paste de aanslag dienovereenkomstig aan.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, stellende dat de leegwaarderatio niet hetzelfde is als de forfaitaire regelingen in het arrest BNB 2015/174 en dus onverbindendheid niet aan de orde is. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de leegwaarderatio slechts een bij benadering marktconforme waardering beoogt en dat onverbindendheid kan gelden bij significante afwijkingen van de werkelijke waarde.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie.