Belanghebbende had zijn eigenwoningschuld in 2007 omgezet in een lening in Zwitserse francs om rentelasten te verlagen. Door koersstijging van de Zwitserse franc ten opzichte van de euro was de hoofdsom van de lening in 2010 hoger geworden bij omzetting terug naar euro's.
De vraag was of het hierdoor ontstane koersverlies, dat wil zeggen het hogere bedrag van de hoofdsom, aftrekbaar was als kosten van de lening volgens artikel 3.120 Wet IB 2001. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof oordeelden dat alleen kosten die rechtstreeks samenhangen met het opnemen, verlengen of aflossen van de lening aftrekbaar zijn, en dat het koersverlies hier niet toe behoort.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de eigenwoningschuld beperkt is tot schulden aangegaan voor de eigen woning en dat alleen directe kosten van de lening aftrekbaar zijn. Koersverlies bij aflossing of omzetting van een lening in een andere munteenheid dan de euro valt hier niet onder.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe.