Deze zaak betreft een geschil over de verplichte deelname van een werkgeefster aan het bedrijfstakpensioenfonds voor de Metaalindustrie. Eerder had het hof bepaald dat de werkgeefster onder dit pensioenfonds valt, maar dat zij niet met terugwerkende kracht premies hoeft af te dragen.
Metaalfondsen c.s. stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, terwijl Geleiderail voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde. Bouwdiensten was niet verschenen en verstek is verleend. De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 27 mei 2011, en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 december 2014.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat deze geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Het incidentele beroep komt daardoor niet aan de orde. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt Metaalfondsen c.s. in de proceskosten.
Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissing dat de werkgeefster onder het pensioenfonds valt, maar zonder terugwerkende premieafdracht, waarmee duidelijkheid is verschaft over de toepassing van de Wet verplichte deelname in bedrijfstakpensioenfonds 2000 in deze context.