ECLI:NL:HR:2016:2174

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2016
Publicatiedatum
22 september 2016
Zaaknummer
16/02146
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens verschoonbare termijnoverschrijding in WSNP-procedure

In deze zaak heeft verzoekster beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een WSNP-procedure. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in het geding en beoordeelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

De Hoge Raad constateert dat noch verzoekster, noch haar beschermingsbewindvoerder of advocaat bij de zitting van het hof is verschenen. Verzoeksters stelling dat zij niet bekend was met het vonnis waarvan beroep wordt niet aannemelijk geacht wegens gebrek aan toelichting. De Hoge Raad sluit zich aan bij de conclusie van de Advocaat-Generaal dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering wordt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is uitgesproken door de Hoge Raad op 23 september 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

23 september 2016
Eerste Kamer
16/02146
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/16/404610/ FT RK 15/2505 van de rechtbank Midden-Nederland van 13 januari 2016;
b. het arrest in de zaak 200.184.568 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 april 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft in rov. 2.4 vastgesteld dat noch [verzoekster], noch haar beschermingsbewindvoerder of haar advocaat ter zitting is verschenen, en in rov. 3.6 de stelling van [verzoekster] dat zij niet bekend was met het vonnis waarvan beroep, bij gebrek aan toelichting niet aannemelijk geacht. De daartegen gerichte klacht van onderdeel 2 dat niet van belang is of er zijdens [verzoekster] sprake is geweest van een fout, stuit af op de rechtspraak genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
23 september 2016.