Conclusie
onderdeel 1wordt aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is wegens een zogenoemde apparaatsfout. Op de zitting bij de rechtbank was [verzoekster] niet bijgestaan door een rechtsbijstandverlener. Niet kan worden nagegaan of de rechtbank [verzoekster] erop heeft gewezen dat op een bepaalde datum vonnis zou worden gewezen. Bovendien had de rechtbank er rekening mee moeten houden dat sprake was van een postblokkade, waardoor de post voor [verzoekster] naar de beschermingsbewindvoerder gezonden werd. De rechtbank had op de enveloppe moeten vermelden: ‘spoed, van rechtbank rechtstreeks aan verzoekster’ om de postblokkade te omzeilen. Daarnaast had het hof de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een door een advocaat ondertekend beroepschrift in te dienen. Door dit na te laten is eveneens sprake van een apparaatsfout. Het door de advocaat op 27 januari 2016 ingediende beroepschrift had het hof bovendien moeten kwalificeren als aanvullend beroepschrift. Aangezien sprake is van apparaatsfouten had het hof een uitzondering dienen te maken op het strikte beleid ten aanzien van het handhaven de termijnen voor rechtsmiddelen en diende de termijnoverschrijding verschoonbaar te worden verklaard.
Volgens de beschermingsbewindvoerder heeft zij het vonnis op 20 januari 2016 ontvangen. [5] Dit is weliswaar aan de late kant, maar nog wel binnen de beroepstermijn. Ook is het niet zodanig laat, dat zij redelijkerwijs binnen de beroepstermijn zelfs niet een pro-forma beroepschrift kon indienen. [6] De uitzondering, waarbij een termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat het vonnis na het verstrijken van de beroepstermijn door de rechtbank is verzonden of verstrekt, doet zich hier dan ook niet voor. [verzoekster] had op het moment van ontvangst van het vonnis nog de mogelijkheid (tot en met 21 januari 2016) om hoger beroep in te stellen. Dat heeft zij echter niet gedaan: de e-mail van de beschermingsbewindvoerder is van 22 januari 2016 en het beroepschrift van de advocaat van 27 januari 2016. Beide zijn dus ná het verstrijken van de beroepstermijn ingediend. De vraag of sprake was van een postblokkade en of de rechtbank daarmee rekening had moeten houden, kan dan ook buiten beschouwing blijven.
Hiermee faalt onderdeel 1.
Onderdeel 2klaagt erover dat het hof voor de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, heeft meegewogen dat [verzoekster] niet ter zitting is verschenen. Aangevoerd wordt dat een verschijning van [verzoekster] ter zitting niet van enige invloed zou zijn geweest, omdat sprake was van een apparaatsfout.
Onderdeel 3richt zich tegen rov. 3.7. Betoogd wordt dat deze overweging onbegrijpelijk is gelet op de mededeling van de advocaat dat hij de stukken in eerste aanleg, ondanks toezeggingen, niet van de rechtbank heeft ontvangen. Ook wat dit betreft is volgens het onderdeel sprake van een apparaatsfout, waardoor het hof het verzoek om aanhouding van de zitting ten onrechte heeft afgewezen en [verzoekster] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.