Uitspraak
[A]gewoond hebbende te
[Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 17 april 2014, nrs. 13/00225 tot en met 13/00230, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. AWB 12/1110 tot en met AWB 12/1115) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van aanvullende invoerrechten en omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
,C-116/12, ECLI:EU:C:2013:825, punt 64 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
-geschiedenis van artikel 221, lid 4, van het CDW wordt niet duidelijk waarom de formulering is gewijzigd. De rechtspraak van het Hof van Justitie geeft evenmin duidelijkheid over het antwoord op de vraag welke betekenis daaraan moet worden toegekend. Weliswaar is in het arrest van 17 juni 2010, Agra Srl, C-75/09, ECLI:EU:C:2010:352 (hierna: het arrest Agra), de nieuwe tekst van artikel 221 (namelijk die van lid 4) van het CDW aan de orde, en verwijst het Hof van Justitie in punt 32 van dat arrest naar artikel 221, lid 4, maar het Hof van Justitie geeft daarbij de tekst weer van het oude artikel 221, lid 3, van het CDW met een verwijzing naar punt 29 van het arrest Snauwaert, dat betrekking heeft op invoeren die plaatsvonden voordat de wijziging had plaatsgevonden.