Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
27 september 2016.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep heeft betrokkene geen middelen van cassatie laten indienen door een raadsman binnen de wettelijke termijn.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad heeft dit oordeel gevolgd en geoordeeld dat het niet indienen van middelen binnen de gestelde termijn een schending is van de procesvoorschriften zoals neergelegd in art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.
Daarom is betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het beroep in cassatie. Het arrest is uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 27 september 2016.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.