Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
4 oktober 2016.
Hoge Raad
De verdachte was in hoger beroep niet verschenen en werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard omdat geen schriftelijke grieven waren ingediend en geen mondelinge bezwaren werden opgegeven. De advocaat van de verdachte gaf aanvankelijk aan zich niet gemachtigd te voelen de verdediging te voeren, maar stelde later op basis van contact met de broer van de verdachte dat hij zich impliciet gemachtigd achtte. Het hof oordeelde dat deze impliciete machtiging niet voldeed aan de eis van artikel 279 Sv Pro voor een uitdrukkelijke machtiging en verleende verstek tegen de verdachte.
De Hoge Raad herhaalt dat artikel 279 Sv Pro slechts vereist dat een advocaat verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om een niet-verschijnende verdachte te verdedigen, en dat de rechter niet mag onderzoeken of deze verklaring waarheidsgetrouw is. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de advocaat niet uitdrukkelijk gemachtigd was, onbegrijpelijk is gezien de omstandigheden en de wettelijke regeling.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. Het arrest benadrukt het belang van de bescherming van het recht van een verdachte om zich te laten verdedigen door een advocaat, ook bij afwezigheid ter terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onduidelijkheid over de uitdrukkelijke machtiging van de advocaat en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.