Conclusie
1.Feiten en procesverloop
door de eigen accountantkan inderdaad schade optreden van honderden miljoenen. En dan moet een rechter niet bang zijn om doortastend op te treden en het recht toe te passen. Maar bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak. In de Chipshol-zaak is dat ook gebeurd met [A] van de Haagse Rechtbank. Nederland lijkt wel te klein voor grote claims. Iedereen kent elkaar. Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel.”
2.Bespreking van het cassatieberoep van de Staat
dictum. Het betreft de door het hof onrechtmatig geachte volzin in de brief van 3 mei 2006.
Het is veeleer zo dat de Raad en het betrokken gerechtsbestuur zélf zich op het standpunt stellen dat het handelen van de advocaat en van de journalist (en diens uitgever) niet door de beugel kan en schadelijk is voor het functioneren van de rechtspraak.Er is ook geen sprake van vergoeding aan de betrokken rechter: in dit uitzonderlijke geval is, vanwege het belang van de rechtspraak en het betrokken gerecht, de procedure op één lijn gesteld met de situatie waarin een rechter of gerechtsbestuurder uit hoofde van de functie in rechte wordt aangesproken. In zulke gevallen geeft de Raad, na overleg met de president van het betrokken gerecht, aan de Landsadvocaat opdracht de betrokkene bij te staan. Dat de Raad als opdrachtgever de verschuldigde declaraties voldoet spreekt daarbij vanzelf.
in beginselonrechtmatig had geoordeeld; er moesten in die procedure nog getuigen worden gehoord.
überhauptheeft plaatsgevonden. Behoudens de op 14 december 2005 door de rechtbank Rotterdam aan [verweerder] gegeven bewijsopdracht, was op de peildatum 3 mei 2006 nog geen rechterlijke beslissing over dit geschilpunt gegeven. Indien het hof in deze aansprakelijkheidsprocedure zijn beslissing heeft gebaseerd op hetgeen eerst na 3 mei 2006 bekend is geworden, zou dat oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de juiste peildatum.
alleuitlatingen van [verweerder] in het interview; niet slechts op [verweerders] bewering dat [A] met hem heeft getelefoneerd. In het licht hiervan valt volgens onderdeel 1.b niet in te zien waarom deze volzin een ‘onnodig diffamerende’ beschuldiging aan het adres van [verweerder] zou inhouden.
ten tijde van de publicatie van deze brief.
Onderdeel 2, gericht tegen het dictum, bouwt slechts voort op de klachten van onderdeel 1 en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
I) Een advocaat mag in beginsel afgaan op de door zijn cliënt verschafte informatie. (
II) Het was [verweerder] duidelijk welk verwijt aan hem werd gemaakt in de tegen hem uitgebrachte dagvaarding. (
III) De brieven uit 1994 konden inderdaad als relevant worden beschouwd, maar de inhoud daarvan was niet zodanig dat op basis daarvan direct zou moeten worden geoordeeld dat de door [A] aan de landsadvocaat verschafte informatie niet juist was. (
IV) Het enkele feit dat de landsadvocaat met een tuchtklacht heeft gedreigd is, wat daar ook van zij, onvoldoende om als onrechtmatig handelen van de Staat te kunnen worden gekwalificeerd.”
directmoet worden geoordeeld dat de door [A] aan de landsadvocaat verschafte informatie over het telefoongesprek onjuist was. Van onrechtmatigheid kan volgens het middel al sprake zijn indien, na kennisneming van de brieven uit 1994, de Staat ‘gerede twijfel’ had althans had behoren te hebben over de juistheid van de informatie die [A] aan de landsadvocaat heeft verstrekt (met name de ontkenning: “ik heb niet gebeld”). Bij grond voor ‘gerede twijfel’ had de Staat volgens het middelonderdeel niet meer de vrijheid om te beslissen tot financiering van het proces van [A] tegen [verweerder] , noch op een later tijdstip de vrijheid om deze beslissing tot financiering te handhaven en uit te voeren. Van ‘gerede twijfel’ is volgens het middelonderdeel sprake zolang de Staat niet [verweerder] zelf had gehoord om van hem te vernemen wat volgens hem de gang van zaken is geweest. Een en ander klemt volgens het middelonderdeel temeer wegens het afschrikwekkend effect van deze inmenging door de overheid in de door art. 10 EVRM Pro geborgde vrijheid van meningsuiting van advocaten. Advocaten moeten – zij het binnen de grenzen van het betamelijke – kritiek kunnen uiten op overheidsrechtspraak en rechters.
chilling effect’bij een kritische opstelling van advocaten (als gevolg van het feit dat de overheid de kosten financiert van rechtsbijstand van een individuele rechter in diens civiele procedure tegen een advocaat over zulke kritische uitlatingen), kan niet worden volgehouden dat dit de Staat noopte tot het hanteren van de in middelonderdeel 1.1 bepleite maatstaf van de ‘gerede twijfel’, in plaats van het door de Staat gevoerde personeelsbeleid. Ook de motiveringsklacht van onderdeel 1.1 faalt.
gerede twijfelweggenomen was die hij had of
behoordete hebben zolang hij geen (nader) onderzoek verricht had of had laten verrichten, waaronder het toepassen van hoor en wederhoor.” In zoverre mist deze klacht feitelijke grondslag: het hof heeft het in onderdeel 1.1 verdedigde criterium van de ‘gerede twijfel’ niet gehanteerd. Dit geldt in het bijzonder voor de motiveringsklacht onder h. Het gaat ook niet om het toepassen van hoor en wederhoor door de rechter in een geding. Voor het overige heeft het hof de kern van deze stellingen onderkend. Dit blijkt al uit de omstandigheid dat het hof zich niet heeft beperkt tot het onderzoek of de Staat in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen om [A] (financieel) te voorzien van rechtsbijstand. Het hof heeft immers ook onderzocht of het gerechtsbestuur of de Raad voor de Rechtspraak in het daaraan voorafgaande besluitvormingsproces zorgvuldiger had moeten zijn jegens [verweerder] (rov. 6.41). Onderdeel 1.3 faalt.
onderdeel 1.8, dat inhoudt dat indien het hof van oordeel is dat gedragingen van de advocaat Boukema in de rechtszaak tussen [A] en [verweerder] c.s. niet kunnen worden toegerekend aan de Staat, dat oordeel rechtens onjuist is, althans ontoereikend gemotiveerd, omdat de Staat in feite optrad als de opdrachtgever van Boukema.
dominus litis’. Daarmee wordt bedoeld dat een advocaat niet verplicht is iedere opdracht van een cliënt tot het instellen van een procedure tegen een derde uit te voeren: de advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid als beroepsbeoefenaar en is uit dien hoofde gerechtigd tot een eigen, professionele beoordeling en om zo nodig zijn opdracht neer te leggen als de advocaat en de cliënt het niet eens kunnen worden. Voor het niet nakomen van die professionele verplichting en verantwoordelijkheid is uitsluitend de advocaat, niet zijn cliënt, aansprakelijk. Indien een advocaat, zoals in dit geval, vanuit zijn professionele verantwoordelijkheid geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de toedracht van de feiten zoals zijn opdrachtgever die aan hem heeft medegedeeld en vervolgens een dagvaarding laat uitgaan – respectievelijk: weigert een reeds uitgebrachte dagvaarding in te trekken −, kan de uitoefening van die professionele verantwoordelijkheid niet door de wederpartij in die procedure worden tegengeworpen aan de cliënt van de advocaat. Overigens was de inhoud van de brieven uit 1994 volgens het hof blijkbaar niet van dien aard dat deze tot intrekken noopte. Voor de cliënt [A] geldt de maatstaf die het hof in rov. 6.8 heeft omschreven. Onderdeel 1.4 faalt.
(I)Ook als het achteraf bezien verstandiger was geweest als het gerechtsbestuur van de Haagse rechtbank en/of de Raad voor de rechtspraak [verweerder] zelf had gehoord alvorens te beslissen om [A] te ondersteunen in zijn procedure tegen [verweerder] , waaruit naar voren had kunnen komen dat de feiten ten aanzien van bellen in de Chipshol-zaak niet zo duidelijk lagen als [A] dat voorstelde, gaat het onder de omstandigheden en met de kennis van toen (2004) toch te ver om te concluderen dat het zorgvuldigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden. Een rechtsplicht om [verweerder] te horen was er niet.
onderdeel 2.4gericht tegen het oordeel in rov. 6.45 achter II. De klacht van onderdeel 2.3 houdt in dat het hof ook hier miskent dat de Staat (het gerechtsbestuur en/of de Raad voor de Rechtspraak) reeds bij ‘gerede twijfel’ over het woord van [A] , dat botste met het woord van [verweerder] , [verweerder] had moeten horen alvorens in dit conflict de zijde van [A] te kiezen. De klacht van onderdeel 2.4 houdt in dat het hof ook hier miskent (i) dat een zo unieke en gewichtige procedure grote schade aan [verweerder] zou toebrengen en (ii) dat de Staat, juist vanwege de ‘gerede twijfel’ die de Staat had althans behoorde te hebben over de mededelingen van [A] , in dit geval wél een verplichting had om de stellingen van [A] te verifiëren alvorens te besluiten tot financiering van de procedure van [A] tegen [verweerder] .
onderdelen 2.6 en 2.7zijn gericht tegen het oordeel in rov. 6.45 achter IV. Dit heeft betrekking op de vraag, welke betekenis voor dit geschil moet worden gegeven aan de brieven in NRC Handelsblad uit 1997 (genoemd in rubriek 1.3 hiervoor). Onderdeel 2.6 kwalificeert het oordeel als “onjuist”, maar geeft niet aan met welke rechtsregel dit oordeel in strijd zou zijn. Voor zover onderdeel 2.6 inhoudt dat onbegrijpelijk is waarom het hof geen verder gaande onderzoeksplicht van de Staat heeft aangenomen aan de hand van deze brieven in NRC Handelsblad, faalt het. Het hof heeft achter IV overwogen (a) dat die brieven (uit 1997) op een andere aangelegenheid zagen dan de uitlatingen van [verweerder] in het boek van de journalist [de journalist] in 2004 en (b) dat ook hier geldt dat een andere beslissing van de Staat denkbaar was geweest, maar dat dit de genomen beslissing nog niet onrechtmatig maakt. Daarmee heeft het hof deze beslissing naar behoren omkleed met redenen die deze beslissing kunnen dragen.
- Ook in de brieven in NRC Handelsblad ging het over het telefoneren van [A] met een advocaat in de Chipshol-zaak (te weten: Gerritsen);
- [verweerder] heeft in hoger beroep aangevoerd dat deze brieven in NRC Handelsblad, samen met de brieven uit 1994, een aanwijzing opleverden van de onjuistheid van [A] mededeling dat hij geen telefonisch contact heeft gehad met advocaten in de Chipshol-zaak;
- In rov. 6.45 onderkent het hof zelf, dat de brieven in NRC Handelsblad betrekking hadden op een telefonisch contact tussen [A] en een (andere) advocaat in een Chipshol-zaak;
- In dit verband wijst het middelonderdeel ook op het voorlopig bewijsoordeel in het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 23 juni 2009 (rov. 3.12);
- De uitlatingen van [verweerders] in het interview hielden nu juist in, voor zover zij [A] betroffen, dat deze in ‘de Chipshol-zaak’ uitvoerig ging bellen met advocaten over de zaak; dat sloeg ook op het bellen door [A] in 1997 met een advocaat in een andere procedure in ‘de Chipshol-zaak’.
“de subpassage voldoende grondslag vindt in het feitenmateriaal” (rov. 3.12 van dat arrest) - de financiering van [A] niet had moeten voortzetten, volgt het hof [verweerder] daarin niet, mede gelet op de Staat in dezen toekomende beleidsvrijheid. Daarnaast staat vast tussen partijen dat bij het vertrek van [A] uit de rechterlijke macht in augustus 2009 de Staat [A] heeft gevrijwaard voor aanspraken die samenhangen met de gevoerde procedures. Dit zo zijnde kan het de Staat niet worden ontzegd om zijn belang veilig te stellen door [A] in de door [verweerder] tegen [A] gevoerde procedures te voorzien van rechtsbijstand.”
onderdeel 3.1dient slechts ter inleiding. Zij is zowel gericht tegen de zo-even geciteerde overweging van het hof over de aan de Staat toekomende beleidsvrijheid (en nader uitgewerkt in onderdeel 3.2) als tegen de overweging over het eigen belang van de Staat in verband met de aan [A] verleende vrijwaring (en nader uitgewerkt in onderdeel 3.3). Verder behoeft deze algemene klacht geen bespreking.
- dat de Staat ten tijde van [A] aftreden in augustus 2009 minst genomen ‘gerede twijfel’ aan de juistheid van [A] standpunt had, althans behoorde te hebben, gelet op het oordeel van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 23 juni 2009 en het daarop gevolgde royement van de procedure tussen [A] en [verweerder] ;
- dat [A] na het tussenarrest van 23 juni 2009 via zijn advocaat aan [verweerder] heeft laten weten dat hij hoegenaamd geen tegenbewijs had;
- dat de mededeling op de website van de Raad voor de Rechtspraak op 21 augustus 2009 over het vertrek van [A] niet zou zijn gedaan als er ook maar het minste tegenbewijs zou zijn geweest;
- dat derhalve in wezen sprake was van een gedwongen ontslag van [A] ;
- dat de Staat daarom niet de vrijheid had om [A] te voorzien van rechtsbijstand (voor rekening van de Staat) in deze aansprakelijkheidsprocedure;
- dat de Staat zichzelf in de positie heeft gebracht dat hij – de Staat – belang kreeg bij de uitkomst van de aansprakelijkheidsprocedure, te weten door in augustus 2009 aan [A] toegezegde vrijwaring voor aanspraken die samenhingen met de Rotterdamse procedure. Volgens [verweerder] valt niet in te zien hoe het gegeven dat de Staat, als gevolg van die vrijwaring, een financieel belang heeft gekregen bij de uitkomst van de procedure, kan meebrengen dat de Staat ondanks die ‘gerede twijfel’ dit belang veilig zou hebben mogen stellen.
nietde kosten van zijn rechtsbijstand zou vergoeden niet zwaarder heeft laten wegen dan het belang van [A] en de Staat om die kosten
welte vergoeden. Ook hier geldt dat rechtssystematisch het niet voor de hand ligt, de procesfinancier aan een strengere maatstaf te binden dan de procespartij zelf. De omstandigheid dat de procesfinancier in dit geval een orgaan van de overheid is, doet daaraan niet af.