Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:2262

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2016
Publicatiedatum
6 oktober 2016
Zaaknummer
16/01721
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minister tot vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over verhogingen en boeten inzake inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1997 tot en met 2000. De Hoge Raad had eerder het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage vernietigd en verwezen naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling.

Belanghebbende klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn door het Hof Amsterdam, dat ruim 10 maanden te laat uitspraak deed na verwijzing door de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn van één jaar na verwijzing was overschreden zonder bijzondere omstandigheden die dit konden rechtvaardigen.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest voor zover het de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade betrof en wees deze vergoeding toe. De Minister van Veiligheid en Justitie werd veroordeeld tot betaling van €1000 immateriële schadevergoeding en de proceskosten van het cassatieberoep.

Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige rechtspraak en de mogelijkheid tot vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van redelijke termijnen in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst een immateriële schadevergoeding van €1000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door het Hof Amsterdam.

Uitspraak

7 oktober 2016
nr. 16/01721
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X-Y]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 11 februari 2016, nrs. AWB 14/00257 t/m 14/00280, betreffende de aan belanghebbende opgelegde verhogingen en de boeten ter zake van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 1997 tot en met 2000 alsmede wat betreft de beslissing tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage is op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën en het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 12/04512, ECLI:NL:HR:2014:700, BNB 2014/118, vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de verhogingen en de boeten ter zake van de IB/PVV over de jaren 1997 tot en met 2000 alsmede wat betreft de beslissing tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën alsmede de Minister van Veiligheid en Justitie hebben een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door J.P.G.M. van der Graaf, advocaat te Dordrecht.

3.Beoordeling van het middel

3.1.
Het middel klaagt erover dat het Hof de redelijke termijn heeft overschreden voor het doen van uitspraak in de verwijzingsprocedure.
3.2.
Het middel slaagt. Indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en het geding verwijst naar een gerechtshof of een rechtbank, heeft als uitgangspunt te gelden dat de verwijzingsrechter uitspraak doet binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad (zie Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140).
3.3.
De in dit verband in aanmerking te nemen periode is aangevangen op 28 maart 2014 toen de Hoge Raad arrest wees in het eerste geding in cassatie en is geëindigd toen het Hof op 11 februari 2016 uitspraak deed. Die periode beloopt 1 jaar en ruim 10 maanden. Blijkens de stukken van het geding is geen sprake van bijzondere omstandigheden.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, is de redelijke termijn door het Hof overschreden met ruim 10 maanden. De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.5.
Met de geconstateerde termijnoverschrijding correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1000. Deze schadevergoeding dient door de Minister van Veiligheid en Justitie te worden betaald.

4.Proceskosten

De Minister van Veiligheid en Justitie zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 16/01723 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de afwijzing van het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade,
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe,
veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de immateriële schade, vastgesteld op € 1000,
gelast dat de Minister van Veiligheid en Justitie aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1984, derhalve € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.