In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over verhogingen en boeten inzake inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1997 tot en met 2000. De Hoge Raad had eerder het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage vernietigd en verwezen naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling.
Belanghebbende klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn door het Hof Amsterdam, dat ruim 10 maanden te laat uitspraak deed na verwijzing door de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn van één jaar na verwijzing was overschreden zonder bijzondere omstandigheden die dit konden rechtvaardigen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest voor zover het de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade betrof en wees deze vergoeding toe. De Minister van Veiligheid en Justitie werd veroordeeld tot betaling van €1000 immateriële schadevergoeding en de proceskosten van het cassatieberoep.
Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige rechtspraak en de mogelijkheid tot vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van redelijke termijnen in bestuursrechtelijke procedures.