Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Slotsom
6.Beslissing
11 oktober 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een verdachte die werd verdacht van het bezit van hasjiesj en witwassen van geldbedragen afkomstig uit een misdrijf. De verdachte werd op 21 oktober 2009 aangehouden met ruim 255 gram hasjiesj in zijn auto en een grote hoeveelheid contant geld in kleine coupures, waarvan de herkomst werd betwist.
De verdediging voerde aan dat de indicatieve tests voor hasjiesj onvoldoende bewijs vormden en dat het ontbreken van contra-expertise tot bewijsuitsluiting moest leiden. De Hoge Raad oordeelde echter dat ondanks het vernietigen van de monsters en het ontbreken van contra-expertise het bewijs van het hof, gebaseerd op positieve indicatieve tests, geur, kleur en verpakking, wettig en overtuigend was en niet in strijd met een eerlijk proces volgens art. 6 EVRM Pro.
Ten aanzien van het witwassen stelde de verdediging dat het geld afkomstig was van legale autohandel en dat geen sprake was van verhulling van de herkomst. Het hof achtte dit niet aannemelijk en concludeerde dat het geld vermoedelijk afkomstig was uit hennepteelt en dat het wisselen in kleinere coupures en het verbergen in een tas en broekzak een verhulling vormde. De Hoge Raad vond echter dat de motivering van het hof voor het bewezen verklaren van het verhullen van de herkomst ontoereikend was en vernietigde dit deel van het arrest.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het betrekking had op het witwassen en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor het witwassen en wijst de zaak terug; het bezit van hasjiesj blijft bewezen.