ECLI:NL:HR:2016:2299

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
11 oktober 2016
Zaaknummer
15/03097
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 52a Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ongegrondheid cassatieberoepen inzake informatiebeschikkingen belastingrecht

In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hof een eerdere uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland bevestigde over informatiebeschikkingen aan belanghebbenden op grond van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De Hoge Raad heeft het principale cassatieberoep en het incidentele beroep van de belanghebbenden beoordeeld. Beide middelen werden verworpen zonder inhoudelijke motivering, omdat zij niet leidden tot rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het principale cassatieberoep, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, terwijl voor het incidentele beroep geen proceskosten werden opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 16 oktober 2016.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten.

Uitspraak

14 oktober 2016
nr. 15/03097
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiën(hierna: de Staatssecretaris) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 28 mei 2015, nr. 14/00419, op het hoger beroep van
[X1] VOF, [X2], [X3], [X4]te
[Z](hierna: belanghebbenden) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/3336) betreffende de ten aanzien van belanghebbenden genomen informatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 52a, lid 1, van de AWR.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend. Zij hebben tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 992, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 497.