Belanghebbende, een bouw- en onderhoudsonderneming, verstrekte leningen aan haar 80%-zustermaatschappij [I] B.V. De lening werd door het hof aangemerkt als onzakelijk, omdat belanghebbende een debiteurenrisico liep dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, mede vanwege het ontbreken van zekerheden en het verwaarloosbare eigen vermogen van [I].
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de zakelijke relatie tussen belanghebbende en [I], die leidde tot extra omzet en samenwerking, niet van voldoende gewicht was om de lening onder dezelfde voorwaarden te verstrekken. De Hoge Raad verwees de zaak terug voor een hernieuwd onderzoek naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in het arrest BNB 2012/37.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren op 14 oktober 2016.