Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 oktober 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoekster verworpen. De zaak betreft een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP). De rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag hadden eerder het verzoek afgewezen omdat niet was voldaan aan de vereiste van het volgen van een minnelijk traject zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet.
Daarnaast was de schuldsaneringsregeling reeds eerder binnen de termijn van tien jaar op verzoekster van toepassing geweest, zoals bepaald in artikel 288 lid 2 onder Pro d van de Faillissementswet. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoekster niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van het gerechtshof en het vonnis van de rechtbank werden aan het arrest gehecht. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, hetgeen door de Hoge Raad is gevolgd. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp, Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door De Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de WSNP afgewezen.