ECLI:NL:HR:2016:2346

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
13 oktober 2016
Zaaknummer
15/02753
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:101 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwikkeling nalatenschap en schadeverdeling bij blokkering levering onroerende zaak

In deze zaak stond de afwikkeling van een nalatenschap centraal, waarbij sprake was van een geschil over een schadevordering wegens het blokkeren van de mogelijkheid tot levering van een onroerende zaak aan een derde partij. De vraag was of het verkrijgen van hypotheekrechten door verweerders onrechtmatig was jegens eiser.

De procedure begon bij de rechtbank Gelderland met meerdere vonnissen en werd voortgezet bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat op 10 maart 2015 arrest wees. Tegen dit arrest stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, terwijl verweerders een deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelden.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof, en concludeert dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro is geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verwerpt zowel het principale als het incidentele cassatieberoep en veroordeelt partijen in de kosten van het geding. Hiermee wordt het arrest van het hof bekrachtigd en blijft de schadeverdeling en de beoordeling van het onrechtmatig handelen zoals vastgesteld in de eerdere instanties gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het arrest van het gerechtshof.

Uitspraak

14 oktober 2016
Eerste Kamer
15/02753
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie, verweerder in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. erfgenamen [A] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. [verweerster 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. T.T. van Zanten.
Eiser tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [eiser] en verweerders in cassatie als [verweerder] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/05/241399/HA ZA 13-217 van de rechtbank Gelderland van 26 juni 2013, 7 augustus 2013 en 5 februari 2014;
b. het arrest in de zaak 200.148.256 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] c.s. hebben (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord houdende (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 22 juli 2016 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het (deels voorwaardelijke) incidentele beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 845,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 oktober 2016.