ECLI:NL:HR:2016:2351

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
13 oktober 2016
Zaaknummer
15/02858
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:127 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitsluiting verrekening in akte van verdeling nalatenschap

In deze zaak gaat het om de afwikkeling van een nalatenschap waarbij de vraag centraal stond of een tijdig uitgebrachte verrekeningsverklaring kan worden uitgesloten in een akte van verdeling. De eiser, als enig erfgenaam, stelde cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof had eerder geoordeeld dat de verrekening van vorderingen op grond van artikel 6:127 BW Pro niet automatisch plaatsvindt indien partijen dit in de akte van verdeling uitsluiten, mede gelet op het bestaan van gescheiden vermogens binnen de nalatenschap. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof en bevestigt deze lijn.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van de eiser niet leiden tot cassatie, mede omdat de aangevoerde klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Het beroep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil worden vastgesteld aan de zijde van de verweerder.

Deze uitspraak bevestigt de mogelijkheid om verrekening van vorderingen binnen een nalatenschap uit te sluiten in een akte van verdeling, wat van belang is voor de afwikkeling van nalatenschappen en de rechtszekerheid tussen erfgenamen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

14 oktober 2016
Eerste Kamer
15/02858
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
in persoon en als enig erfgenaam van [A],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. T.T. van Zanten,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/05/243050 / HA ZA 13-318 van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2013 en 5 februari 2014;
b. het arrest in de zaak 200.144.668 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 oktober 2016.