ECLI:NL:HR:2016:2361

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
13 oktober 2016
Zaaknummer
16/03320
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens gebrek aan belang bij WSNP tussentijdse beëindiging

In deze zaak hebben verzoeksters cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de tussentijdse beëindiging van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) wegens niet-nakoming van verplichtingen en het maken van nieuwe schulden.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen van de rechtbank Limburg en het arrest van het gerechtshof, die aan dit arrest zijn gehecht. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van verzoeksters geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat zij klaarblijkelijk onvoldoende belang hebben bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

Het arrest is op 14 oktober 2016 gewezen door de raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij het beroep.

Uitspraak

14 oktober 2016
Eerste Kamer
16/03320
EE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [verzoekster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verzoekster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTERS tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, thans mr. K. Aantjes.
Verzoeksters zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeksters]

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaken met insolventienummers C/03/14/905 R en C/03/14/904 R van de rechtbank Limburg van 5 april 2016;
b. het arrest in de zaak 200.189.495/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [verzoeksters] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

3.1
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3-6).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 oktober 2016.