AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt sectorindeling payrollingbedrijf als uitzendbedrijf voor werknemersverzekeringen
Belanghebbende exploiteert een payrollingbedrijf waarbij werknemers van een werkgever worden overgenomen en vervolgens aan die werkgever ter beschikking worden gesteld. De Inspecteur had belanghebbende ingedeeld in sector 52, Uitzendbedrijven, voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Belanghebbende betwistte deze indeling en stelde dat de arbeidsovereenkomsten geen uitzendovereenkomsten zijn in de zin van artikel 7:690 BWPro.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de arbeidsovereenkomsten wel degelijk als uitzendovereenkomsten moeten worden aangemerkt en dat het niet van belang is of belanghebbende een allocatiefunctie vervult. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof een onjuiste uitleg had gegeven aan artikel 7:690 BWPro, omdat volgens haar de allocatiefunctie een vereiste is.
De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat artikel 7:690 BWPro geen allocatiefunctie als vereiste stelt. De overige middelen faalden eveneens. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de sectorindeling van belanghebbende als uitzendbedrijf voor de werknemersverzekeringen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de sectorindeling van het payrollingbedrijf als uitzendbedrijf.
Uitspraak
4 november 2016
nr. 15/04497
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V.te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdamvan 20 augustus 2015, nr. 14/00411, betreffende een beschikking sectorindeling voor de werknemersverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door R.W.J. Kerckhoffs en A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 april 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en verwijzing (ECLI:NL:PHR:2016:239).
2.Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende maakt er haar bedrijf van om werknemers van een werkgever ‘over te nemen’ teneinde deze vervolgens aan de oude werkgever ter beschikking te stellen (‘payrolling’).
2.1.2.
Bij beschikking van 3 januari 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende voor de werknemersverzekeringen ingedeeld in sector 52, Uitzendbedrijven (hierna: de sector Uitzendbedrijven).
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende terecht is ingedeeld in de sector Uitzendbedrijven. Belanghebbende bestreed de juistheid van deze indeling en stelde daartoe dat de door haar gesloten arbeidsovereenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als uitzendovereenkomsten in de zin van artikel 7:690 BWPro.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende met haar werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten dienen te worden aangemerkt als uitzendovereenkomsten en dat daarbij niet van belang is of belanghebbende een ‘allocatiefunctie’ vervult. Mitsdien is belanghebbende terecht ingedeeld in de sector Uitzendbedrijven, aldus het Hof.
2.3.1.
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs oordeel een drietal middelen gericht. Het eerste middel betoogt dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 7:690 BWPro aangezien naar het middel betoogt uit de wetsgeschiedenis volgt dat het vervullen van een ‘allocatiefunctie’ door de werkgever een vereiste is voor het bestaan van een uitzendovereenkomst.
2.3.2.
De sector Uitzendbedrijven omvat ingevolge paragraaf 52, onderdeel 4, van Bijlage I bij de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen “de werkgever die op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 vanPro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek arbeidskrachten ter beschikking stelt (…) mits door die arbeidskrachten geen werkzaamheden worden verricht die sec functioneel bezien voor meer dan 50% van het totale premieplichtige loon op jaarbasis aan één sector kunnen worden toegerekend”.
2.3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de door belanghebbende ter beschikking gestelde arbeidskrachten geen werkzaamheden verrichten die “sec functioneel bezien” voor meer dan 50 percent van het totale premieplichtige loon op jaarbasis aan één sector kunnen worden toegerekend.
2.3.4.
Bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende terecht is ingedeeld in de sector Uitzendbedrijven, komt het er daarom op aan of de tussen haar en haar werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten kunnen worden aangemerkt als uitzendovereenkomsten als bedoeld in artikel 7:690 BWPro.
2.3.5.
Ingevolge artikel 7:690 BWPro is de uitzendovereenkomst de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van die werkgever, ter beschikking wordt gesteld aan een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.
2.3.6.
Voor het aannemen van een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BWPro gelden geen andere vereisten dan vermeld in deze bepaling. Artikel 7:690 BWPro impliceert geen beperking tot gevallen waarin sprake is van een ‘allocatiefunctie’ van de werkgever, zoals door het middel wordt bepleit (zie het heden in de zaak met nummer 15/00920 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht).
2.3.7.
Het middel faalt daarom.
2.4.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2016.