Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
15 november 2016.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 maart 2015. Ondanks het instellen van het beroep heeft de verdachte geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn ingediend, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad heeft deze conclusie gevolgd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard, omdat het wettelijke voorschrift niet in acht is genomen.
Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma. Het vonnis is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 15 november 2016.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen door een raadsman.