ECLI:NL:PHR:2016:1061

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2016
Publicatiedatum
3 november 2016
Zaaknummer
15/01558
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet indienen schriftuur in cassatie

De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor opzettelijk gebruik van vals geschrift en het opzettelijk nalaten van tijdige gegevensverstrekking, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf als straf. Tegen dit arrest is op 1 april 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging van het beroep is op 6 oktober 2015 betekend. Volgens artikel 437, tweede lid, Sv moet binnen twee maanden na betekening van de aanzegging een schriftuur houdende middelen worden ingediend door een raadsman.

Binnen deze termijn is echter geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad ingediend. Hierdoor is de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot deze niet-ontvankelijkverklaring. Er is tevens samenhang met andere zaken, maar deze conclusie betreft specifiek zaaknummer 15/01558.

De uitspraak bevestigt het belang van het naleven van procedurele termijnen in cassatieprocedures en de consequentie van niet tijdig indienen van middelen is niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 15/01558
Zitting: 6 september 2016
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 24 maart 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en 2. “in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaak 15/02358. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte is op 1 april 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 6 oktober 2015 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG