Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Belastingdienst over een aanslag vennootschapsbelasting, boetebeschikkingen en heffingsrente over het jaar 2000. Na een uitspraak van de rechtbank en hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, stelde belanghebbende cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen 1 tot en met 3 niet tot cassatie kunnen leiden. Het vierde middel klaagt terecht dat het hof ten onrechte het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft afgewezen op grond van onvoldoende motivering. Volgens de Hoge Raad behoeft een dergelijk verzoek geen nadere motivering, omdat het verzoek zelf al voldoende gemotiveerd is.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding betreft en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Tevens wordt de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in cassatie.