Uitspraak
[X] U.A.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 9 februari 2016, nr. 14/00687, betreffende een beschikking ingevolge artikel 59, lid 3, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een beschikking op grond van artikel 59, lid 3, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het geding betreft een vervolg op een eerdere cassatiezaak waarin de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Den Haag vernietigde en de zaak verwees naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
Belanghebbende stelde een middel in cassatie voor, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift indiende. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam, waarmee de procedure in cassatie werd afgesloten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.