ECLI:NL:HR:2016:2646

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2016
Publicatiedatum
21 november 2016
Zaaknummer
14/03928
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De zaak betreft een gewapende roofoverval op een juwelierszaak in Rijnsburg waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juli 2014. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafoplegging en vermindering van de straf.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie en oordeelde dat de eerste drie middelen niet tot cassatie konden leiden. Het vierde middel klaagde terecht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.

Hierdoor werd de redelijke termijn overschreden, hetgeen leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren naar vier jaar en zes maanden. De rest van het beroep werd verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor de duur van de straf en bevestigde het verder.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf jaar naar vier jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

8 november 2016
Strafkamer
nr. S 14/03928
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juli 2014, nummer 22/003971-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vierde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en zes maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 november 2016.