Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 13 juli 2016, nr. 14/5947 TW, betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge de Toeslagenwet.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Toeslagenwet. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 31 augustus 2016 per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld.
Het griffierecht is niet voldaan binnen de gestelde termijn. Vervolgens heeft de griffier op 30 september 2016 belanghebbende opnieuw per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om te reageren op het niet tijdig betalen van het griffierecht. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht moet het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.