ECLI:NL:CRVB:2016:2623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toeslag wegens gezamenlijke huishouding en inkomen partner
Appellant had vanaf 2004 een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontvangen, welke in 2012 werd ingetrokken omdat hij samenwoonde met een partner en hun gezamenlijke inkomen hoger was dan het minimumloon. Na een nieuwe aanvraag in 2013 weigerde het UWV de toeslag omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij als alleenstaande moest worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat sprake was van een duurzame gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg.
In hoger beroep herhaalde appellant dat zijn partner een onderhuurder was en dat zij zelf een toeslag ontving. Het UWV bevestigde dat de toeslag van de partner wordt onderzocht. De Raad toetste aan de wettelijke definitie van gezamenlijke huishouding, waarbij niet alleen het samenwonen maar ook de wederzijdse zorg en financiële verstrengeling van belang zijn.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen gezamenlijke huishouding voert. De eerdere intrekking van de toeslag was terecht en het hoger beroep werd verworpen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de toeslag wordt bevestigd.