Partijen waren gehuwd in Israël en verhuisden kort na het huwelijk naar Nederland, waar zij een dochter kregen met dubbele nationaliteit. Na echtscheiding reisde de vrouw zonder toestemming met het kind naar Israël, maar keerde later terug naar Nederland. De man verzocht om eenhoofdig gezag en hoofdverblijfplaats bij hem, terwijl de vrouw toestemming vroeg om met het kind naar Israël te verhuizen.
De rechtbank wees het verzoek van de vrouw af en beval onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Het hof verleende uiteindelijk de vervangende toestemming voor verhuizing, met een omgangsregeling die het aandeel van de man in de zorg compenseert. De man stelde dat het hof onterecht geen ouderschapsregeling in het dictum had opgenomen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht is een ouderschapsregeling in het dictum op te nemen als er voldoende zekerheid bestaat dat een regeling op afzienbare termijn zal worden vastgesteld en het belang van het kind een spoedige beslissing vereist. Het hof had voldoende onderzocht dat het gelijkwaardig ouderschap zoveel mogelijk wordt gewaarborgd en dat de voorgestelde omgangsregeling uitvoerbaar is. Het beroep van de man werd verworpen.