ECLI:NL:HR:2016:2728

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2016
Publicatiedatum
1 december 2016
Zaaknummer
16/04002
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9, lid 2 AwbArt. 8:41, lid 6 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende, woonachtig te Utrecht, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juni 2016 betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank op grond van de Algemene nabestaandenwet.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en constateerde dat het beroepschrift op 5 augustus 2016 was ingediend, terwijl de termijn van zes weken na verzending van de uitspraak op 14 juni 2016 op 26 juli 2016 was verstreken. Ook een beroep op artikel 6:9, lid 2, Awb bood geen grond voor tijdige indiening.

Belanghebbende werd in de gelegenheid gesteld om een reden voor de termijnoverschrijding aan te geven, maar deze werd niet geaccepteerd. Daarom werd het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad oordeelde verder dat er geen gronden waren voor veroordeling in proceskosten en sprak het arrest uit op 2 december 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening.

Uitspraak

2 december 2016
Nr. 16/04002
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z], Marokko, domicilie gekozen hebbende te Utrecht (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 10 juni 2016, nr. 14/7146 ANW, betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene nabestaandenwet.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Blijkens een door de griffier op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen verzonden op 14 juni 2016.
Blijkens een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening is dit beroepschrift op 5 augustus 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.
Het beroepschrift in cassatie is derhalve niet ontvangen binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 26 juli 2016. Het is evenmin tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 16 september 2016 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 21 september 2016 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.