Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 december 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in combinatie met de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ). Betrokkene was door de rechtbank Den Haag machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis toegekend, ondanks dat hij overdag niet in het ziekenhuis verbleef en slechts 's nachts (behalve op zaterdag) aanwezig was.
Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking, waarbij de kernvraag was of sprake was van verblijf in het ziekenhuis in de zin van de BOPZ indien de betrokkene overdag afwezig was en alleen 's nachts verbleef. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van betrokkene niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en de beschikking van de rechtbank bevestigd.
Deze beslissing bevestigt de uitleg van het begrip verblijf in het kader van de BOPZ en de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro, waarbij ook verblijf dat hoofdzakelijk uit nachtovernachtingen bestaat, kan worden aangemerkt als verblijf in het ziekenhuis voor de toepassing van de machtiging tot voortgezet verblijf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf wordt bevestigd.