Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
pro forma. Deze werd dan terstond of na zeer korte tijd gevolgd door een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis op de voet van art. 47 Wet Pro Bopz, waarbij de geneesheer-directeur de voorwaarden stelde. Als de patiënt zich niet aan de hem of haar gestelde voorwaarden hield, kon het voorwaardelijk ontslag door de geneesheer-directeur worden ingetrokken. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de voorwaardelijke machtiging merkte de regering op dat het aanvragen van een rechterlijke machtiging uitsluitend met het doel voorwaarden aan de patiënt te kunnen stellen via een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis, niet strookt met de bedoeling van de nieuwe wettelijke regeling. De Hoge Raad heeft, dienovereenkomstig, in zijn beschikking van 11 november 2005, waarnaar het onderdeel verwijst, beslist dat sedert de invoering van de voorwaardelijke machtiging voor het gebruik van de methode van de paraplumachtiging in gevallen waarin een daadwerkelijke opneming van de betrokkene, al is het maar voor korte duur, niet in de bedoeling ligt, geen plaats meer is. Kort samengevat lag aan die beslissing ten grondslag dat de nieuwe wettelijke regeling van de voorwaardelijke machtiging betere waarborgen biedt voor de rechtsbescherming van de patiënt. [10]
De rechter(…): betrokkene verblijft thans met een voorlopige machtiging in de kliniek. Er wordt toegewerkt naar ontslag onder voorwaarden en daarover is geen overeenstemming.