Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
6 december 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake poging tot afpersing in vereniging. Verdachte had geprobeerd [betrokkene 1] te dwingen tot afgifte van grondstoffen voor verdovende middelen, terwijl het goed nog niet tot het vermogen van het slachtoffer behoorde. De rechtbank had een gevangenisstraf van negen maanden opgelegd.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat poging tot afpersing niet mogelijk is als het goed nog niet tot het vermogen van het slachtoffer behoort en deze daarover nog geen beschikkingsmacht heeft. Dit verweer werd als onjuist beoordeeld. De bewezenverklaring was voldoende gemotiveerd en steunde op diverse bewijsmiddelen.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden door te late inzending van stukken door het hof. Dit leidde tot vermindering van de straf tot acht maanden en drie weken gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en beperkte de strafvermindering tot de termijnoverschrijding. Hiermee werd het cassatieberoep deels gegrond verklaard.
Uitkomst: De straf van negen maanden gevangenisstraf wordt verminderd tot acht maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de strafbaarheid van poging tot afpersing wordt bevestigd.