ECLI:NL:HR:2016:2784

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2016
Publicatiedatum
8 december 2016
Zaaknummer
13/05584
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Uitspraak na prejudiciële beslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 148 CDWArt. 502 UCDWArt. 503 UCDWArt. 585 lid 1 UCDWArt. 85 CDW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling economische voorwaarden douaneregeling passieve veredeling na prejudiciële beslissing

Deze zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de weigering van een vergunning voor de toepassing van de douaneregeling passieve veredeling.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 december 2014 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 21 juli 2016 heeft geoordeeld dat bij de toetsing van de economische voorwaarden niet alleen rekening moet worden gehouden met producenten van het eindproduct, maar ook met producenten van grondstoffen of halffabricaten die tijdens de veredelingshandelingen worden vermengd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte alleen rekening hield met producenten van het eindproduct en vernietigt het arrest. De rechtbank had geoordeeld dat de vergunning terecht was geweigerd omdat de regeling passieve veredeling de economische belangen van communautaire producenten van bio-ethanol ernstig zou schaden.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van belanghebbende af. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het Comité Douanewetboek terecht heeft geoordeeld dat de economische voorwaarden niet vervuld zijn en dat eerdere vergelijkbare vergunningen niet als precedent kunnen gelden.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de weigering van de vergunning voor passieve veredeling wegens schending van de economische belangen van communautaire producenten.

Uitspraak

9 december 2016
nr. 13/05584bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdam, betreffende een ten aanzien van
Argos Supply Trading B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) gegeven beschikking inzake de douaneregeling passieve veredeling, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.

1.Geding in cassatie

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 19 december 2014, nr. 13/05584, ECLI:NL:HR:2014:3615, BNB 2015/75 wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.
Bij arrest van 21 juli 2016, Argos Supply Trading B.V., C-4/15, ECLI:EU:C:2016:580, BNB 2016/219, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:
“Artikel 148, onder c), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat, om in het kader van een verzoek om een vergunning voor gebruikmaking van de regeling passieve veredeling te beoordelen of is voldaan aan de economische voorwaarden voor gebruikmaking van die regeling, niet alleen rekening moet worden gehouden met de wezenlijke belangen van communautaire producenten van soortgelijke producten als het eindproduct dat uit de voorgenomen veredelingshandelingen zou ontstaan, maar ook met die van communautaire producenten van soortgelijke producten als de niet-communautaire grondstoffen of halffabricaten die bestemd zijn om tijdens deze handelingen te worden vermengd met tijdelijk uitgevoerde communautaire goederen.”
De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd op dit arrest.

2.Nadere beoordeling van het middel

2.1.
Uit de hiervoor in onderdeel 1 weergegeven verklaring voor recht volgt dat ’s Hofs oordeel dat bij de toetsing van de economische voorwaarden voor gebruikmaking van de douaneregeling passieve veredeling alleen rekening moet worden gehouden met de wezenlijke belangen van communautaire producenten van soortgelijke producten als het eindproduct, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt derhalve.
2.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.3.1.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de fictie van artikel 585, lid 1, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: de UCDW), inhoudende dat de wezenlijke belangen van de be- of verwerkende bedrijven in de Gemeenschap niet worden geacht ernstig te worden geschaad, niet geldt ingeval bij de aanvraag voor een vergunning voor toepassing van de economische douaneregeling passieve veredeling aanwijzingen zijn voor het tegendeel.
De Rechtbank heeft voorts geoordeeld – mede onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2009, nr. 07/10341, ECLI:NL:HR:2009:BH0606, BNB 2009/72 – dat de Inspecteur in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat het verzoek van belanghebbende haar krachtens artikel 85 van Pro het Communautair douanewetboek vergunning te verlenen voor toepassing van de economische douaneregeling passieve veredeling, moet worden afgewezen op de grond dat gebruikmaking van de regeling passieve veredeling om het product E85 in te voeren de economische belangen van de communautaire producenten van de grondstoffen van het product E85 (met name de producenten van bio-ethanol) ernstig zou schaden.
2.3.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep de hiervoor in 2.3.1 weergegeven oordelen van de Rechtbank bestreden, in de eerste plaats op de grond dat de Rechtbank ten onrechte de fictie van artikel 585, lid 1, van de UCDW niet in acht heeft genomen en in de tweede plaats op de grond dat er redenen zijn om het oordeel van het Comité Douanewetboek dat de wezenlijke belangen van de communautaire producenten van bio-ethanol zouden worden geschaad - en welk oordeel de Inspecteur tot zijn standpunt heeft gemaakt bij de afwijzing van het verzoek om een vergunning passieve veredeling - ondeugdelijk te achten.
2.3.3.
De hiervoor in 2.3.2 bedoelde stellingen moeten worden verworpen.
Het is in de eerste plaats buiten redelijke twijfel dat het bepaalde in artikel 585, lid 1, van de UCDW niet uitsluit dat ingeval een aanvraag wordt gedaan voor een vergunning passieve veredeling met inachtneming van artikel 502, leden 1 en 4, en de artikelen 503 en 504 van de UCDW een onderzoek kan worden ingesteld naar eventuele aanwijzingen als bedoeld in artikel 585, lid 1, van de UCDW. Zoals ook uit de punten 43 en 44 van het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie volgt, was het instellen van een dergelijk onderzoek evenmin van redelijke gronden ontbloot aangezien het buiten de Unie verrichten van de onderhavige veredelingshandeling een ondernemer zoals belanghebbende in staat zou stellen het niet-communautaire bestanddeel dat overeenkomt met bio-ethanol in de Unie in te voeren tegen een heffing van 6,5 percent ad valorem en daarbij te ontkomen aan betaling van de douanerechten die gelden voor die grondstof (40 percent ad valorem), en die nu juist bedoeld zijn om communautaire producenten van bio-ethanol tegen een dergelijke invoer te beschermen. In die situatie zou gebruikmaking van de regeling passieve veredeling, zo heeft het Hof van Justitie overwogen, de marktdeelnemer die deze regeling aanvraagt, een extra voordeel opleveren, hetgeen dit soort handelingen, die toch nadelig zijn voor de belangen van de producenten binnen de Unie, nog gunstiger maakt.
Wat betreft het gedane onderzoek naar de economische voorwaarden en het op de resultaten van dat onderzoek gebaseerde oordeel van het Comité Douanewetboek dat de veredeling buiten de Gemeenschap inderdaad tot ernstige nadelen voor de desbetreffende bedrijven in de Gemeenschap kan leiden, heeft belanghebbende in hoger beroep de daartoe door het Comité Douanewetboek aangevoerde gronden, met name op het punt van bestaande overcapaciteit bij bio-ethanolproducenten, gemotiveerd in twijfel willen trekken. De Inspecteur op zijn beurt heeft bij het verweerschrift in hoger beroep gemotiveerd waarom de hiervoor door belanghebbende aangevoerde redenering niet tot twijfel daarover hoeft te leiden, welke redenering ter zitting door belanghebbende onvoldoende is weersproken.
Aldus kan, gelet op hetgeen over en weer door partijen is aangevoerd, niet worden geoordeeld dat het door belanghebbende bestreden besluit van het Comité Douanewetboek niet van redelijke gronden is voorzien, zodat het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen het verzoek om een vergunning passieve veredeling af te wijzen, moet worden bevestigd.
2.4.1.
De Rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat belanghebbende niet met vrucht zich erop kan beroepen dat het Comité Douanewetboek naar aanleiding van een aantal eerder gedane aanvragen voor de regeling ‘behandeling onder douanetoezicht’ in vergelijkbare situaties heeft geconcludeerd dat de economische voorwaarden wel zijn vervuld. De Rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat de desbetreffende aanvragen door het Comité Douanewetboek als een zogenoemd ‘uniek geval’ zijn aangemerkt, dat het Comité Douanewetboek als richtlijn heeft dat een situatie alleen dan als een ‘uniek geval’ mag worden aangemerkt wanneer soortgelijke toepassingen niet kunnen bestaan en dat het Comité Douanewetboek in dit verband aanneemt dat een conclusie in een ‘uniek geval’ niet als een precedent kan worden beschouwd.
2.4.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat reeds omdat de hiervoor in 2.4.1 bedoelde drie conclusies van het Comité Douanewetboek zien op het driemaal aan een Zweeds bedrijf verlenen van een vergunning behandeling onder douanetoezicht, niet sprake kan zijn van een uniek geval.
De stelling van belanghebbende moet worden verworpen. De Inspecteur heeft bij verweerschrift in hoger beroep, onder verwijzing naar het desbetreffende verslag van het Comité Douanewetboek, door belanghebbende onweersproken erop gewezen dat de desbetreffende conclusies van het Comité Douanewetboek betrekking hebben gehad op een aan één Zweeds bedrijf verleende vergunning behandeling onder douanetoezicht waarvan de economische voorwaarden achtereenvolgens opnieuw zijn beoordeeld, dat bij de toetsing van de economische voorwaarden voor de vergunning aan dat Zweedse bedrijf met name specifieke in Zweden bestaande ontwikkelingen op het gebied van zogenoemde tweedegeneratiebiobrandstoffen een belangrijke rol hebben gespeeld voor de conclusie van het Comité Douanewetboek dat aan de economische voorwaarden wordt voldaan, en dat vorenbedoelde in Zweden aan de orde zijnde ontwikkelingen niet zijn te vergelijken met de omstandigheden op de Nederlandse markt.
2.5.
Het hiervoor in 2.1, 2.3 en 2.4 overwogene leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016.