Deze zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de weigering van een vergunning voor de toepassing van de douaneregeling passieve veredeling.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 december 2014 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 21 juli 2016 heeft geoordeeld dat bij de toetsing van de economische voorwaarden niet alleen rekening moet worden gehouden met producenten van het eindproduct, maar ook met producenten van grondstoffen of halffabricaten die tijdens de veredelingshandelingen worden vermengd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte alleen rekening hield met producenten van het eindproduct en vernietigt het arrest. De rechtbank had geoordeeld dat de vergunning terecht was geweigerd omdat de regeling passieve veredeling de economische belangen van communautaire producenten van bio-ethanol ernstig zou schaden.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van belanghebbende af. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het Comité Douanewetboek terecht heeft geoordeeld dat de economische voorwaarden niet vervuld zijn en dat eerdere vergelijkbare vergunningen niet als precedent kunnen gelden.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten toegewezen.