Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit een moedermaatschappij en dochtermaatschappijen, investeerde in 2009 in acht zeeschepen. Het eerste schip werd op 2 maart 2010 in de vaart gebracht. Belanghebbende verzocht de Inspecteur om toepassing van het tonnageregime met ingang van die datum. De Inspecteur wees dit verzoek af, stellende dat het tonnageregime pas kan ingaan met ingang van het gehele boekjaar waarin de eerste winst uit zeescheepvaart wordt behaald.
De Rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat het tonnageregime met ingang van het gehele jaar 2010 van toepassing moest zijn en vernietigde de beschikking van de Inspecteur. Zowel belanghebbende als de Inspecteur gingen in hoger beroep. Het Hof bevestigde het oordeel van de Rechtbank dat het tonnageregime vanaf 1 januari 2010 geldt, ondanks dat het eerste schip pas op 2 maart 2010 in gebruik werd genomen.
De Hoge Raad stelde in cassatie vast dat het tonnageregime ingevolge artikel 3.22, lid 3, Wet IB 2001, alleen kan ingaan met ingang van het boekjaar waarin de belastingplichtige voor het eerst winst uit zeescheepvaart geniet. Dit betekent dat het regime niet kan starten op een latere datum binnen dat jaar. Hierdoor was het verzoek van belanghebbende om toepassing vanaf 2 maart 2010 niet tijdig en terecht afgewezen. De Hoge Raad vernietigde daarom de uitspraken van Hof en Rechtbank en bevestigde de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur.