Belanghebbende, bestaande uit [X1] Holding B.V. en haar directeur-grootaandeelhouder [X2], vormde sinds 2002 een fiscale eenheid. [X2] gebruikte een pand als woning met daarin een werkruimte die hij voor zijn werkzaamheden als directeur van de BV gebruikte. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen omzetbelasting op wegens privégebruik en herziening van de aftrek van omzetbelasting over de levering van het pand.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat [X2] als ondernemer moest worden aangemerkt voor het ter beschikking stellen van de werkruimte aan de BV, mede op basis van verklaringen van belanghebbende en [X2]. Belanghebbende stelde dat geen vergoeding werd bedongen of betaald en dat de werkruimte niet zelfstandig verhuurd werd.
De Hoge Raad stelt dat de Inspecteur de last had te bewijzen dat [X2] buiten zijn dienstbetrekking om als ondernemer tegen vergoeding werkruimte ter beschikking stelde. De Inspecteur heeft dit niet aannemelijk gemaakt en volstond met verwijzing naar het bestaan van de fiscale eenheid en verklaringen zonder objectieve gegevens zoals een overeenkomst.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de uitspraken van het Hof en de Rechtbank en de naheffingsaanslagen. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.