Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne in zijn woning, alsmede medeplichtigheid aan de verkoop daarvan. Het hof baseerde de bewezenverklaring op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van kopers en getuigen, en vond dat verdachte kennis had van de drugshandel in zijn woning.
Verdachte voerde aan niet te weten dat er drugs aanwezig waren en dat hij slechts zijn woning aan een ander had beschikbaar gesteld. Het hof verwierp dit verweer op grond van onder meer verdachte's eigen verklaringen, de aangetroffen goederen en de aanwezigheid van verdovende middelen in het zicht.
De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring omtrent het medeplegen onvoldoende was gemotiveerd, maar dat dit niet tot vernietiging leidt omdat verdachte onvoldoende belang had bij vernietiging gezien het strafmaximum en de straf die was opgelegd. Wel werd de straf verminderd van 104 naar 97 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en bevestigde daarmee de inhoudelijke schuldvraag en het strafkarakter van de zaak.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 104 naar 97 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.