Conclusie
Het eerste middel en de beoordeling daarvan
“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Ondanks dat internationale regelgeving formeel in het onderhavige geval niet van toepassing is, kunnen aan dit internationale kader en de daarbinnen ontwikkelde rechtspraak elementen worden ontleend die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de strafrechtelijke vervolging van het betreffende feit. Immers, een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal mag worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit kan een schending van de beginselen van een goede procesorde met zich mee brengen welke de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg kan hebben (vgl. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434 inzake het ASP).
NJ2015/256, m.nt. Keulen oordeelt de Hoge Raad dat zich uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen waarin weliswaar geen geschreven nationale of internationale rechtsregel de samenloop van een bestuursrechtelijk en strafrechtelijk afdoeningstraject verhindert, maar deze samenloopsituatie toch op gespannen voet staat met het ne bis in idem-beginsel. In zo een geval kan de strafrechtelijke vervolging van de verdachte in strijd zijn met beginselen van een goede procesorde, hetgeen de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft. In de desbetreffende zaak zag de verdachte van rijden onder invloed van alcohol zich geconfronteerd met zowel de oplegging van een alcoholslotprogramma (hierna ook asp te noemen) door het CBR als met een strafrechtelijke vervolging ter zake van overtreding van art. 8 WVW Pro 1994 (rijden onder invloed, waarbij, eventueel in combinatie met een geldboete, de rijbevoegdheid aan de bestuurder kan worden ontzegd). [3] De Hoge Raad wijst erop dat sterke gelijkenis bestaat tussen de strafrechtelijke vervolging van de verdachte wegens overtreding van art. 8 WVW Pro en de procedure die leidt tot oplegging van een alcoholslotprogramma. Die gelijkenis blijkt wanneer de vergelijkingsfactoren worden toegepast die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld ten behoeve van de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr Pro en art. 313 Sv Pro, zo overweegt de Hoge Raad, daarbij verwijzend naar het – ook in de bestreden uitspraak en de cassatieschriftuur in de onderhavige zaak aangehaalde – arrest van HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102,
NJ2011/394, m.nt. Buruma. Met betrekking tot de toepassing van deze vergelijkingsfactoren stelt de Hoge Raad vast dat de gedragingen die aan de betrokkene worden verweten in het kader van onderscheidenlijk het alcoholslotprogramma en de vervolging ter zake van overtreding van art. 8 WVW Pro 1994, te weten rijden onder invloed, identiek zijn, terwijl de beschermde rechtsgoederen elkaar vinden in de bevordering van de verkeersveiligheid en dus in hoge mate met elkaar vergelijkbaar zijn. Daarnaast geldt dat voor de betrokkene de gevolgen van het opleggen van het alcoholslotprogramma en de van het instellen van een strafvervolging te verwachten strafrechtelijke sancties in hoge mate overeenkomen: beide procedures kunnen leiden tot een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en oplegging van een wezenlijke betalingsverplichting. Voorts neemt de Hoge Raad nog in aanmerking dat de wetgever de samenhang tussen de ‘procedure die leidt tot oplegging van het alcoholslotprogramma’ en de strafvervolging niet heeft geregeld en daarmee geen regeling heeft getroffen die bepaalt hoe de strafrechter in die gevallen waarin het alcoholslotprogramma is opgelegd, dient om te gaan met de samenloop van die maatregel en de in de strafzaak te nemen beslissingen op het gebied van de procedurele afstemming, de vervolgbaarheid en/of de mogelijke verdiscontering van het gewicht van het opgelegde alcoholslotprogramma in de sanctietoemeting.
NJ2015/256 merkt Keulen terecht op dat de Hoge Raad het oordeel dat een uitzonderlijke situatie daar aan de orde was, niet alleen baseert op de constatering dat beide afdoeningstrajecten ‘hetzelfde feit’ betreffen, maar ook erop doet steunen dat de te verwachten gevolgen voor de verdachte in sterke mate overeenkomen. Mijn ambtgenoot Bleichrodt voegt daar in zijn conclusie (punt 18) vóór HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1818,
NJ2018/403 aan toe dat de Hoge Raad zich in die uitspraak heeft onthouden van een rechtstreekse toetsing aan het ne bis in idem-beginsel. Door zijn oordeel te baseren op een toetsing aan de beginselen van een goede procesorde, verschaft de Hoge Raad zichzelf de ruimte om daarin meer bijzondere aspecten van de zaak te verdisconteren dan in het kader van – bijvoorbeeld – art. 68 Sr Pro van belang zouden zijn, waaronder ook de overeenkomst in de (te verwachten) sancties, zo stelt Bleichrodt. Mét zowel Keulen als Bleichrodt meen ik dat de Hoge Raad in de genoemde uitspraak de vergelijkbaarheid van de te verwachten gevolgen niet heeft geïntegreerd in het beoordelingskader dat hij voorschrijft ten aanzien van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr Pro en art. 313 Sv Pro. De vergelijkbaarheid van de gevolgen voor de betrokkene presenteert de Hoge Raad veeleer als een zelfstandig en additioneel argument om in dat concrete geval bij wijze van (hoge) uitzondering buitenwettelijke bescherming tegen dubbele vervolging en/of bestraffing aan te nemen.
NJ2017/289, m.nt. Reijntjes omdat in die zaak – vergelijkbaar met de voorliggende – het niet-strafrechtelijke traject had geleid tot korting op een subsidie (evenals een uitkering een vorm van financiële steun van overheidswege). In die zaak had de staatssecretaris van Economische Zaken aan de verdachte een randvoorwaardenkorting op GLB-inkomenssteun opgelegd omdat zij de regels voor de identificatie en registratie van dieren niet had nageleefd. Na te hebben vastgesteld dat de korting geen strafrechtelijke veroordeling voor een strafbaar feit in de zin van art. 50 Handvest Pro van de Grondrechten van de Europese Unie oplevert, overweegt de Hoge Raad – in wezen ten overvloede – het volgende:
Feiten 4 tot en met 8: medeplegen.