Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Utrecht,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4.Beslissing
26 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een eigenaar van een kapperszaak en diens verzekeraar ASR over de verjaring van een vordering uit hoofde van een brandverzekering. Na een brand in maart 2008 deed eiser aanspraak op uitkering, die door ASR werd afgewezen met een duidelijke vermelding van de verjaringstermijn van zes maanden. Eiser stelde dat de verjaringstermijn niet was gestart of gestuit bij latere aanspraken.
De rechtbank verwierp het verjaringsverweer van ASR, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de verjaringstermijn was begonnen te lopen na de eerste afwijzing en dat eiser niet tijdig had gestuit. De Hoge Raad stelde de vraag centraal of bij een tweede of volgende schriftelijke aanspraak de verzekeraar opnieuw ondubbelzinnig moet afwijzen met de verjaringsvermelding om een nieuwe verjaringstermijn te laten lopen.
De Hoge Raad concludeerde dat de wettelijke tekst, wetsgeschiedenis en stelsel van de wet erop wijzen dat de formele eisen van art. 7:942 lid Pro 2 (oud) BW ook gelden voor volgende aanspraken. Dit beschermt de verzekerde tegen voortijdige verjaring. De eerdere uitleg van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling. ASR werd veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling, met de uitleg dat bij elke volgende schriftelijke aanspraak de verzekeraar opnieuw ondubbelzinnig moet afwijzen met verjaringstermijn.