ECLI:NL:HR:2016:3421

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2016
Publicatiedatum
8 maart 2017
Zaaknummer
16/01446
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 416 lid 2 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken schriftuur en mondelinge bezwaren

De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdachte had geen schriftuur met grieven ingediend en was niet aanwezig bij de terechtzitting, waardoor het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde op grond van artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad heeft beoordeeld of het hof had moeten onderzoeken of er een rechtens te respecteren belang was bij het onderzoek van de zaak alvorens het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit naliet, waardoor het hof in strijd handelde met artikel 416 lid 2 Sv Pro. Dit brengt nietigheid met zich mee.

Desondanks concludeert de Hoge Raad dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door de vice-president van de Hoge Raad en twee raadsheren, en betreft een arrest van 20 december 2016. De schriftuur van de advocaat van de verdachte is aan het arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van schriftuur en mondelinge bezwaren.

Uitspraak

20 december 2016
Strafkamer
nr. S 16/01446
IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 maart 2016, nummer 22/004772-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Roos, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 december 2016.
Cassatieschriftuur in de strafzaak tegen [verdachte]
Griffienummers : S 16/01446
Aan de Hoge Raad der Nederlanden te Den Haag
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte] (geboren [geboortedatum]-1957), te dezer zake domicilie kiezende aan de Hillelaan 30 te Rotterdam (correspondentie: Postbus 51014, 3007 GA Rotterdam) ten kantore van de advocaat mr. N. Roos.
Dat requirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Den Haag, uitgesproken op 14 maart 2016, de navolgende middelen van cassatie voordraagt:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn is artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering geschonden.
Middel 1.
Het Gerechtshof heeft requirant niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep vanwege het feit dat zij geen schriftuur met grieven tegen het vonnis heeft ingediend, alsmede geen mondelinge bezwaren ter terechtzitting heeft opgegeven. Dit laatste omdat zowel requirant als haar raadsman niet aanwezig waren ter terechtzitting.
Ingevolge artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan de verdachte niet- ontvankelijk worden verklaard indien door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en mondeling geen bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven. Echter, ook dient te worden bekeken of er sprake is van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak.(1) Het Hof had moeten bezien of er een aanleiding was om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op de voet van artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht het door verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, en te bezien of het noodzakelijk was om de zaak te onderzoeken.(2)
In het geval van requirant heeft het Hof nagelaten om te bezien of er sprake was van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Door zulks na te laten heeft het Hof gehandeld in strijd met artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Het bovenstaande brengt derhalve nietigheid met zich mede.