ECLI:NL:HR:2016:349

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
3 maart 2016
Zaaknummer
15/03650
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 8:77 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens onbegrijpelijk hofuitspraak over WOZ-waardering onroerende zaak

Belanghebbende, eigenaar van een onroerende zaak te Groningen, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 87.000 per 1 januari 2012. Na afwijzing van het bezwaar door de heffingsambtenaar en ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank, stelde het hof in hoger beroep dat noch de heffingsambtenaar noch belanghebbende voldoende bewijs leverden om de waarde te betwisten. Het hof concludeerde desalniettemin dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn beslissing onvoldoende had gemotiveerd, waardoor het oordeel onbegrijpelijk was. De Hoge Raad stelde vast dat het hof enerzijds onvoldoende bewijs zag voor de juistheid van de waarde, maar anderzijds de waarde toch handhaafde zonder nadere motivering.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe beoordeling van de WOZ-waarde. Tevens werd het college van burgemeester en wethouders van Groningen verplicht het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onbegrijpelijke motivering en de zaak wordt verwezen voor nieuwe beoordeling.

Uitspraak

4 maart 2016
Nr. 15/03650
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 24 juni 2015, nr. 14/01080, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 14/468) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Groningen voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z].
2.1.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 2012 vastgesteld op € 87.000. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft hij de vastgestelde waarde gehandhaafd.
2.1.3.
De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.
2.1.4.
Voor het Hof was, evenals voor de Rechtbank, de in 2.1.2 bedoelde waarde in geschil.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat op de heffingsambtenaar de last rust te bewijzen dat de door hem in hoger beroep verdedigde waarde van € 87.000 niet te hoog is en dat hij hierin niet is geslaagd. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem in hoger beroep verdedigde waarde niet te laag is.
2.2.2.
Omdat geen van beide partijen erin is geslaagd het verlangde bewijs te leveren heeft het Hof vervolgens de waarde van de onroerende zaak vastgesteld. Rekening houdend met alle voorliggende gegevens en deze afwegend oordeelt het Hof dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.
2.3.1.
Het eerste middel komt op tegen het hiervoor onder 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat die beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
2.3.2.
Het eerste middel slaagt. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is niet begrijpelijk dat het Hof op basis van alle voorliggende gegevens – waaronder de door de heffingsambtenaar aangedragen bewijzen – enerzijds van oordeel is dat deze gegevens onvoldoende bewijs opleveren voor het oordeel dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, maar anderzijds oordeelt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
2.3.3.
Het tweede middel faalt. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe beoordeling van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.